Laura van Campenhout - vertaler van John Biguenet, Het open gordijn

Laura van Campenhout, vertaler

foto: Gustave Petit

'Ik laat de brontekst lezen aan een native speaker en bestook hem met allerhande vragen: Hoe interpreteer jij dit? Zeggen jullie dat altijd zo? Kun je dit parafraseren?'

John Biguenet - Het open gordijn

Hoe is Het open gordijn op je pad gekomen?


Ik vertaalde mijn eerste korte verhalen voor Lidewijde Paris’ rubriek in ‘Vrij Nederland’. Ik deel haar enthousiasme voor het genre, heb ook literatuurcursussen gegeven waarin uitsluitend korte verhalen werden behandeld. Vervolgens benaderde zij me voor deze bundel, een selectie uit ‘The Torturer’s Apprentice’ van de Amerikaan John Biguenet. Na het lezen van het eerste verhaal, ‘Roos’, wist ik dat ik deze auteur graag wilde vertalen.



Heb je research voor de bundel gedaan? 


Nee, afgezien van de gebruikelijke kennismaking met ander werk van de auteur heb ik geen research hoeven doen. Wel heb ik contact gehad met Biguenet. Hij doceert letterkunde aan de Loyola University in New Orleans en heeft diverse publicaties over literair vertalen verzorgd. Het vertaalmetier is hem dus niet vreemd, dat merkte ik aan de betrokken wijze waarop hij op mijn vragen inging. 



Hoe weet je of de vertaling waaraan je werkt goed is?


De ‘voelhorens’ van de vertaler waken over al zijn beslissingen. Dat begint al voordat de eerste zin is vertaald. Ik laat de brontekst lezen aan een native speaker en bestook hem met allerhande vragen: Hoe interpreteer jij dit? Zeggen jullie dat altijd zo? Kun je dit parafraseren? Later ondergaat mijn vertaling een vergelijkbare behandeling: ik lees de tekst hardop, luister ernaar, schaaf en sleutel, nodig meelezers uit om erop te schieten . . . Ook belangrijk is de kritiek van de persklaarmaker van de uitgeverij, dat is eigenlijk de eerste echte lezer.  



Welk verhaal uit Het open gordijn was het uitdagendst om te vertalen?


Met ‘Paddenplaag’ heb ik een waar gevecht geleverd. Het is een historische vertelling à la de grote twintigste-eeuwse Latijns-Amerikanen, met een magisch-realistisch staartje. De pompeuze (‘gongoristische’, aldus de verteller) dictie was een ramp. Ellenlange zinnen, archaïsche woorden, een gezwollen stijl . . . de verteller trekt allemaal registers open waar het Nederlandse taaleigen ‘niet goed van wordt’. Ik moest alle zeilen bijzetten om Biguenets uitbundige pastiche in een vorm te gieten die verhaal, stijl en sfeer intact hield.



Heb je bij het vertalen voor een bepaald uitgangspunt gekozen?


Kort gezegd, de leesbaarheid staat voorop, maar wel binnen het stramien dat de schrijver aangeeft. Biguenet speelt met literaire stijlen, en de vertaling volgt hem daarin. Sommige verhalen blinken uit in het verhullen of zelfs weglaten van informatie. Neem het verhaal ‘Roos’ - niet voor niets bekroond met de O. Henry Award - een narratief juweeltje van amper 800 woorden die allemaal op de juiste plek staan. Daar valt voor mij weinig te kiezen, ik volg de auteur op de voet.



Welke overeenkomst is er tussen de verhalen in Het open gordijn?


Op het eerste gezicht verschillen de verhalen enorm: in setting (plaats, tijd), in plot, in sfeer en in stijl. Wat ze gemeen hebben is dat in Biguenets verhalen de realiteit nooit een vaststaand gegeven is. Elke hoofdpersoon komt op bijzondere wijze tot een inzicht dat zijn kijk op zijn eigen realiteit voorgoed verandert.



Zou je een verhaal uit Het open gordijn een buitenbeentje noemen?


‘Ik ben geen jood’ houdt zich als enige bezig met een algemeen moreel probleem dat niet alleen deze ene hoofdpersoon (een Amerikaanse toerist in Duitsland) aangaat, maar iedereen die op wat voor manier dan ook wordt geconfronteerd met de historische gruwelen van de Tweede Wereldoorlog. 



Waarop moet lezer volgens jou letten? 


Mijn cursisten verzuchtten vaak dat er in de verhalen die we klassikaal bespraken van alles ‘verstopt’ bleek te zitten dat zij niet hadden opgemerkt . . . terwijl ze het toch zo’n prachtig verhaal hadden gevonden. De verhalen van Biguenet hebben dat ook. Sommige verhalen zullen hun geheim, hun ‘clou’, hun bestaansreden als het ware, misschien pas na herlezing prijsgeven. 


Dan is er nog een ander soort geheim, maar dat is eigenlijk meer een bonus. Iemand die de klassieke Amerikaanse literatuur kent, zal bijvoorbeeld in het verhaal ‘Roos’ verwijzingen aantreffen naar een ander, beroemd verhaal. (Welk verhaal dat is ga ik niet verklappen . . .) Opmerkelijk vind ik dat Biguenet zulke pareltjes door de tekst strooit zonder zich erom te bekommeren of iemand ze ooit zal opmerken; het al dan niet ontdekken ervan is overigens ook niet essentieel voor het genot van het verhaal zelf. Maar degene die ze ontdekt, weet dat hij een bonus te pakken heeft.



Waar werk je nu aan?


Ik werk nu met Annemarie van Limpt als covertaler aan een roman van Anita Nair. ‘Lessons in Forgetting’ speelt zich af in een modern, op het eerste gezicht ‘verwesterd’ milieu in Bangalore (India), met als hoofdpersoon de succesvolle kookboekschrijfster Meera, die na twintig jaar haar huwelijk op de klippen ziet lopen.


Daarna is nogmaals John Biguenet aan de beurt, met zijn roman ‘Oester’, een zich als een Griekse tragedie afwikkelende geschiedenis van twee rivaliserende families uit het verarmde oestervissersmilieu van Louisiana in 1957. 



Welke verhalenbundel(s) heb je recentelijk nog meer vertaald?


Anita Nairs debuut ‘Kom naar bed, mijn lief’, verhalen die deels in India, deels in het oosten van de Verenigde Staten spelen. De schrijfster beproeft haar pen: dat levert lichte verhalen op waarin naast humor en een vleugje erotiek de serieuze ondertoon niet ontbreekt.

ShortStory.nu, omdat korte verhalen geweldig zijn