Drie verhalen van Tobias Wolff - bespreking door schrijver Cathelijn Schilder

Tobias Wolff

Our story begins


1. In the Garden of the North American Martyrs


'Om geen saaie indruk te maken, permitteerde ze zich enkele onschuldige buitenissigheden. Ze ging bowlen, iets waar ze verzot op raakte, en stichtte op Brandon College een eigen afdeling van een vereniging tot herstel van de goede naam van Richard III.' (Vertaling: Peter Bergsma)


Mary, het hoofdpersonage in het openingsverhaal van de bundel ‘Our story begins’, is docent geschiedenis op een universiteit. Ze schrijft haar colleges tot op het woord uit. Als ze al standpunten heeft, dan zijn dat dezelfde standpunten als die van haar collega’s. Ze meet zich, zoals in bovenstaand citaat beschreven staat, een identiteit aan die als belangrijkste doel heeft: geen bedreiging vormen.

Door financieel wanbeleid van het universiteitsbestuur verliest ze haar baan en belandt

 op een college in Oregon, een ‘experimenteel’ college zoals ze het zelf noemen. Maar waar het zo rommelig is, dat Mary er graag weg wil. Het regent er altijd en behalve de paddenstoelen die achter haar koelkast groeien, gaat ook haar gezondheid achteruit.


‘On rainy days, condensation formed in Mary’s hearing aid and shorted it out. She began to dread talking with people, never knowing when she’d have to take out her control box and slap it against her leg.’


Het zijn dit soort details waardoor ik ontzettend van dit personage ga houden. Het volgt op een opsomming van de regen en het vocht en de sfeer daar op de universiteit en in haar huis. Niets lukt. 

Na drie jaar ontvangt ze van een oud-collega een uitnodiging om te solliciteren op een baan bij de prestigieuze universiteit waar zijzelf ook werkt. Ze is verbaasd over de uitnodiging. Louise, de oud-collega, was niet iemand waar ze contact mee had gehouden na haar vertrek. Of, zoals Wolff het beschrijft:


‘enthousiasm for other people’s causes did not come easily to Louise, who had a way of sucking in her breath when familiar names were mentioned, as though she knew things that her friendship kept her from disclosing.’


Ze vliegt naar upstate New York voor de sollicitatie. Lousie haalt haar op van het vliegtuig en Mary begint zich langzaam te realiseren dat haar verwachtingen niet zullen uitkomen. 


-You seem so gloomy. I hope you’re not worrying about the interview, or the class. Worrying  won’t do you a bit of good. Look on this as a vacation.’

-‘Class? What class?’

-‘The class you’re supposed to give tomorrow, after the interview.

Didn’t I tell you? Mea culpa, hon, mea maxima culpa. I’ve been uncharistically forgetful lately (...)’


De tegenslag stapelt zich op. De omstandigheden geven haar de mogelijkheid, of dwingen haar, het is maar hoe je het wilt zien, om iets te doen wat ze anders nooit zou durven. 

In kleine zorgvuldige scènes wordt er toegewerkt naar dit moment. Je verwacht: deze omstandigheden zijn zo ontmoedigend, Mary zal afdruipen, terug naar het vochtige Oregon en we horen nooit meer wat van haar. Maar dan komt het echte einde en dat blijkt nog veel meer te kloppen. Sterker nog: het hele verhaal, alle voorafgaande scènes vallen ermee op zijn plek.

Het heeft iets groots. Zoveel brutaler en ook wel surrealistischer dan dat hele kleine verstilde wat ik gewend ben van de verhalen van bijvoorbeeld Raymond Carver. 

Want aan deze schrijver moest ik toch vaak denken tijdens het lezen.


Net als bij Wolff gaan de personages van Carver gebukt onder moeilijke omstandigheden. De schrijfstijl is nog meer uitgebeend en de setting nog wat uitzichtlozer (in een verhaal van Carver geen universitair docent, hooguit de schoonmaker in de gangen van die universiteit met een verrekt polsgewricht). Ze doen wat ze doen, ze denken na over wat ze zouden kunnen doen, wat ze hadden moeten doen zelfs, maar daar blijft het vaak bij. Een gevoel waar ik me heel goed in kan inleven en wat haarscherp is opgeschreven, maar waar je als lezer nooit juichend aan de zijlijn kunt staan.

Bij Carver heb ik toch vaak de neiging om het verhaal als een zuchtende, mislukte welzijnswerker dicht te slaan.  Je ervaart niet de geweldige sensatie die je hebt als het de personages lukt om een moment boven zichzelf uit te stijgen. Bij dit verhaal voelde ik me eerder zo’n Amerikaanse kreten slakende honkbalsupporter. Mary gaat ook ten onder, net als iedereen, maar niet voordat.....

Wolff heeft de personages in de voor hen meest ongunstige setting gedwongen. Ontsnappen is niet mogelijk, ze moeten reageren. In een hoekje kruipen, wegrennen, de telefoon op de haak, allemaal geen optie. Juist  nú moet de lezer ze zien.

Het is brutaal, en krachtig en als je niet tijdens het lezen al begonnen was met schrijven, dan begin je meteen bij de laatste zin.

‘She waved back at Louise, then turned off her hearing aid so she would not be distracted again.’



2. That Room


‘So I was a hand. A hand! I went a little crazy with that word, with the pleasure of applying it to myself. Having a job like this changed everything. It delivered you from the reach of your parents, from the caustic scrutiny of your friends. It set you free among strangers in the eventful world, where you could practice being someone else until you were someone else. It put money in your pocket and allowed you to believe that your other life- your inessentiel, parenthetical life at home and school- was just a sop to those deluded enough to imagine you still needed them.’


Dit is een alinea uit de eerste bladzijde van het verhaal ‘That room.’

‘So I was a hand. A hand! I went a little crazy with that word.... (...) were you could practise being someone else until you were someone else...’


Deze zinnen vind ik elke keer weer van een betoverend enthousiasme. Een enthousiasme waar ik mezelf wel eens op betrap als een acrobaat salto’s maakt, of die ik terugvoel bij mijn dochter als het haar lukt zelf in het stoeltje achterop de fiets te klimmen.

De jongen in het verhaal mag, nadat hij de vorige zomer alleen nog bessen mocht plukken en stallen schoonmaken, meehelpen op het land met de andere jongens. Het verhaal vertelt over deze eerste zomer waarin hij mee mag doen met de rest, maar er natuurlijk nog niet bij hoort, alleen al omdat hij zo trots is.

Net als bij de acrobaat en de klimmende peuter, is ook dit het soort enthousiasme waarbij je je hart vasthoudt. Er zit veel dreiging in het verhaal. Het is een ruige wereld, de oogst moet binnen, het mag niet gaan regenen, ze hebben maar een paar weken, de dreiging van brand, de andere jongens die slapen in een aftands motel.


‘ Sometimes pulling up to their door, we’d all just sit there, saying nothing. We were that tired.’


Het lijkt zo’n eenvoudige zin. Maar het is de manier waarop Wolff schrijft, dat het zo hard binnenkomt. Dat die zin: We were that tired’, als losse zin wordt geschreven, en niet met een komma aan de vorige verbonden is. Het ritme, alles klopt. Niet alleen die jongens zijn moe, die hele zin is moe. Zo moe als je alleen kunt zijn bij je eerste baantje. Daarna ben je nooit meer zo trots, werk je nooit meer zo hard voor een baas. (je mag het tegendeel bewijzen natuurlijk, maar zo voelt het)

De spanning loopt op. Het is de laatste week. De jongens belanden na een dag werken uitgeput op de motelkamer van de twee Spaanse broers. Ze worden dronken. En zoals er  in ieders pubertijd verhalen zijn van avonden die net wel of net niet goed zijn afgelopen komt ook hier de dreiging die al in elke zin van dit verhaal op de loer lag tot uitbarsten.

Het is de jongen die ernaar kijkt, die doet alsof hij meedoet en de liefde die je voor hem voelt, dat je net zo ongerust bent als zijn moeder misschien wel zou zijn.

Net als in het eerste verhaal wordt de spanning zorgvuldig opgebouwd tot die laatste scène waarin de personages gedwongen worden zich te laten zien. Ze kunnen niet onder die confrontatie uit. We krijgen niet zomaar een fragment te zien uit het leven van deze mensen; Het is dit fragment wat onmiskenbaar belangrijk is. Het waarom spat van de bladzijde af, zonder dat er gepsychologiseerd wordt.  



3. Liar


Een ander verhaal heet Liar en begint als volgt: 

‘My mother reads everything except books. Advertisements on buses, entire menus as we ate, billboards; if it had no cover it interested her. So when she found a letter in my drawer that wasn’t addressed to her, she read it.’


Dit is hoe scherp en in hoe weinig woorden Wolff een personage neer kan zetten. Iemand die zo levensecht is dat het is alsof je naast ze aan de keukentafel zit. Je bent niet alleen de lezer van het verhaal, je bent medeplichtig.

Hij beschrijft het opvanghuis door het gehoest van de man met wie de jongen op een kamer slaapt. Hoe hij overdag met hem te doen heeft, maar hem ’s nachts haat. 

Hij beschrijft Louise, de vrouw die Mary uitnodigt voor het sollicitatiegesprek zo, dat je haar verschrikkelijk vindt, maar je tegelijkertijd beseft dat er momenten zijn dat je op haar lijkt. Zoals je partij kiest voor Mary, en tegelijkertijd weet dat ze die baan nooit zal krijgen. 

Het is zoals in het leven waarin iedereen wel meevalt, als je hem of haar beter leert kennen, maar het is de combinatie van omstandigheden en persoonlijkheden waarin dingen kunnen ontploffen en het is zo spectaculair dat we die kleine en grote ontploffingen, die kleine en grote momenten uit het leven van deze mensen ook mogen zien.

Wolff plaatst  alle verhalen in deze bundel in een kader waarin de personages onder druk gezet worden. Die kaders zijn schijnbaar eenvoudig: een vrouw solliciteert, een jongen en zijn eerste zomerbaan, drie vrienden op hertenjacht, een echtpaar die vanuit hun slaapkamer naar het huis van hun overburen kijkt, een moeder en zoon op zoek naar een nieuw huis, een jongen die niet meer kan stoppen met liegen, etc. En bij elk verhaal is het vanaf de eerste zin duidelijk dat het beslissende momenten uit het leven van de personages zijn. Het korte verhaal als ‘slice of life’, maar dan wel the slice waar de personages worden gedwongen, of beter zichzelf dwingen, zich schrap te zetten, te laten overweldigen, of stelling te nemen. Er zijn andere ‘slices’ die ze lijdzaam kunnen ondergaan, waar ze er zogezegd goed vanaf kwamen, en ook die scènes zou Wolff meer dan goed beschreven kunnen hebben. Maar niet met ongelooflijke gevoel van nu, waar je er na elk verhaal achterkomt dat je minstens acht keer bent vergeten adem te halen.


(c) Cathelijn Schilder


Lees ook de bespreking door Robert Andreas van het verhaal Next Door van Tobias Wolff.

ShortStory.nu, omdat korte verhalen geweldig zijn