Martin Bril - Buurtgeluiden

Inkijkexemplaar

Verwondering 

(door Eva van Esch)


In Buurtgeluiden observeert Martin Bril (1959-2009) zijn eigen buurt, zoals we van hem gewend zijn wanneer hij het verder van huis zoekt: liefdevol, genadeloos, treffend. Haarscherpe beelden. We weten precies wat hij bedoelt! We zijn er alleen te snel aan voorbijgegaan. We krijgen het nooit zo zorgvuldig verwoord. Ogenschijnlijk simpel. Tot je het zelf eens probeert. 


Geen woord te veel. Minstens de helft van mijn zinnen moet dus geschrapt! En vergeet de filosofische touch niet! ‘Het heeft geen zin er verder betekenis aan te hechten. Niets heeft zin, trouwens, een onuitstaanbare gedachte.’

Heeft u trouwens opgemerkt dat het weer is omgeslagen? Dacht ik al! Altijd alert blijven! 

Ze ploften naast de gokkast neer op de plastic tuinstoelen die Nasser

 ’s zomers buiten zet. Toen pas deden ze de paraplu dicht, wat een wolk van ragfijne druppeltjes in de snackbar veroorzaakte.’ Ik weet niet waar ú zit. Maar ik ruik frikadellen, en die paraplu maakt me naar. Een paar woorden. Een complete wereld. ‘Geen cent op zak, maar toch over Saint-Germain willen zwieren. Een stokbrood bij de bakker, een stuk paté bij een slager, een fles goedkope wijn, een hotelkamer met uitzicht op een blinde muur…’ Ik bedoel maar. 

De buurman (dichtbij) weet alles over Lodewijk Napoleon (ver weg): ‘Zijn verhalen komen niet altijd gelegen, maar buurman is eenzaam, en oud, dus af en toe laat ik Lodewijk een uurtje over me heen komen.’ Zitten we ineens in 1806. Koning van Holland. Gedeeltelijk verlamd als gevolg van een verwaarloosde geslachtsziekte. Maar we eindigen natuurlijk in de woonkamer van de buurman: we maken onze columns wel rond!

Verslapt uw aandacht? Dan gooien we er even wat spanning in. Een man. Een vrouw; nota bene met gezag. ‘Of ik twee zakjes bij me had om eventuele boodschappen van de hond op te ruimen, wilde de eerste agente weten. Er kwam een kekke vlecht onder haar hoedje vandaan. Ik had daar graag even aan getrokken, maar ja – daar was het moment niet naar. (…) Ze wilde de zakjes zien, de agente, nog streng ook – heerlijk vind ik dat.’ 

Uitdagend.

Herkent u zijn toon? Gelukkig maar: een visie ventileren kan iedereen. Daar iets persoonlijks aan toevoegen – een eigen stem, ja, waar koop je die? 

‘Altijd zat hij midden in zijn kamer, in een grote stoel, recht tegenover een oud televisietoestel. Vaak stond het ding aan, maar nooit keek mijn meneer ernaar. In plaats daarvan dommelde hij. (…) Inmiddels is de man overleden. Vervolg: ‘ – mijn meneer had Johan Gerrit Mittertreiner geheten, en van beroep was hij balletdanser geweest.’

‘Dit brak mijn hart.’

Ontroering is geoorloofd. 

En zie hoe de isolatie van die ene zin het geheel onderstreept. Let daar op, mensen, vertraag, versnel, geen lappen tekst, maar ritme, ritme, ritme, u leidt. 

Ik had u gezegd altijd alert te blijven. Hoe heeft u dan over het hoofd kunnen zien dat er vlak voor uw voeten langs een kassabon waaide? Overal zit een verhaal in! ‘Op 17 mei 2007 kocht iemand om drie minuten over één bij Stoop een pot Murray’s Hair Pommade, kosten 4,95 euro.’ Foei, foei, foei. En onthoud: een verhaal = taal = ‘Door het water van de gracht glijdt een rondvaartboot met oververhitte toeristen.’ Glijdt dus. Niet: vaart. ‘Vaak dribbelt hij over de stoep, de bal onzeker aan de voet…’  Dribbelen dus. Enzovoort. 

Wat grapjes op zijn tijd.

Maar grapjes moet je nooit willen navertellen.

Net als uitweidingen over de opbouw van zo’n column: op internet wordt u ermee doodgegooid. Vooruit dan, alleen nog even het belang van slotzinnen.

Stel, je hebt een postbode die volledig in zichzelf is gekeerd. Je zou de deur open willen rukken als hij net aan de andere kant staat te klooien met zijn poststukken. Dit doe je, maar hij schrikt zo dat je zelf ook schrikt en de deur maar weer in het slot smijt. Je krijgt steeds minder post. Piekert je suf. – Rek je verhaal. Rek het nog meer. – Een mogelijk einde: ‘Misschien is het maar beter om op vakantie te gaan en mezelf een kaart te sturen. Als die over een maand niet op de mat ligt, moet ik maatregelen nemen.’ 

Rond. 

Opgelost? 

Dat is juist zo fijn: afgerond betekent niet automatisch opgelost.

Er zal maar een man met een pokdalige kop door je buurt fietsen! Elke avond. In een dreigend tempo. Overal loert hij naar binnen. Je volgt hem een keer. Trekt hij zich niets van aan. De man die niets heeft te verliezen. 

‘En net als je niet meer aan de man denkt, schuift hij ineens door het beeld, een nare schim, het hoofd onder het petje mijn kant op gekeerd, om te checken of ik er ben, te kijken hoe mijn huis erbij staat. Ik weet dat ik niet mag denken dat hij kwaad in de zin heeft, maar toch weet ik het zeker – mijn hart slaat niet voor niets over.’ 

Tot slot: lees nooit te veel columns achter elkaar. Zo nu en dan één of twee, om je gedachten te prikkelen. Schrijf je ze zelf? Houd het dan kort. Ja, absoluut korter dan dit! Excuus! A) We zijn geen Martin Bril. B) Over het werk van die man valt veel te veel te zeggen. 

  

Eva van Esch

ShortStory.nu, omdat korte verhalen geweldig zijn