John Cheever - Verhalen (1987)

Uitgeverij Atlas

JOHN CHEEVER - RODDELS EN BEKENTENISSEN



John Cheever heeft onder schrijvers van korte verhalen een hoge status. Des te opmerkelijker is het dat de Nederlandstalige bloemlezing uit zijn werk lange tijd niet meer leverbaar was en pas eind 2008, na eenentwintig jaar, een (ongewijzigde) herdruk kreeg.

Het is niet alleen een kloeke (de Engelstalige editie telt eenenzestig verhalen, de Nederlandstalige negentwintig), maar vooral ook rijke, veelzijdige bundel, die tussen het schrijven aan romans door is ontstaan en die een periode bestrijkt van halverwege de jaren 40 tot eind jaren 70. Gezien die grote tijdspanne én het grote aantal verhalen, is het niet verwonderlijk dat de schrijver zich ontwikkeld heeft, en dat uit de bundel niet zoiets naar voren komt als hét typische Cheever-verhaal. Natuurlijk, er is wel een verhaal dat veel Cheever-liefhebbers onder de favorieten rekenenen - De Zwemmer - maar dat zou ik niet typisch Cheever willen noemen. Sterker nog, ik vind het een a-typische Cheever, waarover straks meer.


Shady Hill

Al bestaat hét karakteristieke Cheever verhaal niet, er zijn wel elementen in zijn verhalend werk te bespeuren die vaak of minder vaak terugkeren. Een zo'n element is de forenzenstad Shady Hill, in de buurt van New York. Op Google Maps zul je het tevergeefs zoeken: het is net zo fictief als het Balbec van Proust, waar het mee gemeen heeft dat het een specifiek milieu in een specifieke tijd tekent - in het geval van Cheever de relatief welvarende en voorstedelijke blanke middenklasse van na de tweede wereldoorlog. De mannen van Shady Hill hebben vaak een aardige positie op kantoor, ze hebben een gezin en een dienstmeisje, ze gaan naar cocktailparty's en praten daar over hoe goed de zaken gaan. Over de eigen problemen wordt gezwegen, over die van anderen geroddeld.


verzwijgen en roddelen

Verzwijgen en roddelen - dat komen we meer dan eens bij Cheever tegen. In De Wormstekige appel bijvoorbeeld, waar ons geen verhaal wordt verteld maar een aaneenschakeling van roddels, die telkens uit de duim gezogen blijkt en gecorrigeerd moet worden.

'Maar misschien was het feit dat Helen rijk was nog ernstiger. Ze was de enige dochter van de oude Charlie Simpson - een van de laatste industriële avonturiers - die haar meer geld had nagelaten dan Larry ooit zou verdienen met zijn baan bij Melcher & Thaw. Welke gevaren er in deze situatie schuilen is bekend. Omdat Larry zijn brood niet hoefde te verdienen - omdat hij daar volstrekt niet toe gemotiveerd was - zou hij het er misschien van nemen, te veel tijd op de golf course doorbrengen en altijd een glas in zijn hand hebben. Helen zou financiële onafhankelijkheid verwarren met emotionele onafhankelijkheid en het wankele evenwicht binnen hun huwelijk verstoren. Maar Larry leek helemaal geen nachtmerries te hebben en Helen verdeelde haar inkomen over de liefdadigheidsinstellingen en leidde een comfortabel maar bescheiden bestaan.'

Het vertelde blijkt na rectificatie te braaf voor een smeuïg verhaal, zodat er een nieuwe roddel nodig is om de boel een beetje op te leuken. Ad infinitum.


De inbreker van Shady Hill

Maar wie zijn eigen doen en laten verzwijgt en roddelt over anderen, komt vroeg of laat in problemen - men heeft toch ook een uitlaatklep voor de eigen sores nodig. Cheever biedt zijn personages die uitlaatklep. Hij laat ze in de verhalen aan het woord (in de eerste persoon), of tekent de verhalen voor ze op (in de derde persoon). Noem het een biecht, maar dan in een ontkerkelijkte gemeenschap.

De inbreker van Shady Hill (1956) is zo'n verhaal waarin een personage een bekentenis doet. Niet aan zijn omgeving, die weet van niets en zal ook niets te weten komen, maar wel aan ons, lezers. Hij geeft zich aan ons bloot.

'Ik heet Johnny Hake. Ik ben zesendertig jaar oud, één meter achtenzeventig lang zonder schoenen, ik weeg vierenzestig kilo zonder mijn kleren, en zit op dit moment bij wijze van spreken naakt voor me uit te praten in het donker.'

Johnny Hake vertelt ons hoe hij zijn baan verloor en daardoor in financiële problemen kwam, hoe hij de schulden voor zijn gezin verborgen wist te houden, en hoe hij als het water hem tot aan de lippen staat, gaat inbreken bij kennissen van hem. Maar hij krijgt spijt.

'Ik wou dat ik kon vertellen dat een goedhartige leeuw me tot inkeer had gebracht of een onschuldig kind of de verre klanken van muziek in een kerk, maar het was alleen de regen op mijn hoofd - de geur ervan die opsteeg naar mijn neus - die me deed inzien hoe ver ik afstond van dat gebeente in Fontainebleau en de daden van een dief.'

Ogenschijnlijk onbenullige momenten die leiden tot inzicht maar niet tot een uitweg - we komen ze vaker bij Cheever tegen.


bloot

Johnny Hake is overigens niet de enige die zich, zoals gezegd, blootgeeft. Er zijn meer personages die voor ons uit de kleren gaan. In de verhalen aan het begin van de bundel gebeurt dat besmuikt, we bevinden ons nog in de jaren veertig. Tegen het eind gaat dat openlijk, we zijn dan in de jaren zeventig:

'Dus liep ik naakt het gangpad op met mijn bezittingen in mijn rechterhand. Toen ik bij het toneel kwam hield een naakte jongeman me tegen en schreeuwde - zong: 'Leg die statussymbolen neer. Statussymbolen zijn onrein.'' (Het vierde alarm)


klassieke verteller

Blootgeven, roddelen, biechten. Er wordt heel wat vertéld in de verhalen van Cheever. Door een echte, klassieke verteller. Soms is in de verhalen het op schrijfopleidingen onderwezen 'show, don't tell' ver te zoeken. Gelukkig maar, want die vertelinstantie kléúrt niet alleen de verhalen, hij weet soms ook het verhaal te bepálen, zelfs als hij er niet als personage deel van uitmaakt (zoals we zagen bij De wormstekige appel.) Wie uit zo'n verhaal 'het vertellen' zou weghalen, gooit het kind met het badwater weg.


De zwemmer

Mocht je nu denken dat het ultieme Cheever verhaal een bekentenis vol roddels is, met een exhibitionistische en zeer aanwezige verteller, dan heb je het niet helemaal bij het rechte eind. Cheevers pièce de résistance - want zo mag je De Zwemmer noemen - ontbeert deze karakteristieken deels.

De Zwemmer (1964) heeft als hoofdpersoon Neddy Merrill, die op een zwoele zomermiddag samen met zijn vrouw aan de rand van het zwembad van een bevriend echtpaar zit. Hij vat het idee op om in zijn eentje de tien kilometer naar huis via de zwembaden van buren af te leggen - het ene zwembad na het andere. De tocht zal Lucinda heten, naar zijn vrouw.

'O, wat waren de oevers van de Lucinda mooi en mals! Welvarende mannen en vrouwen die zich verzameld hadden bij het saffierkleurige water terwijl witgejast personeel van een cateringbedrijf koude gin serveerde.'

Maar het blijft niet lang zonnig en hartelijk. Wanneer het gaat onweren, komen ook de tegenslagen. Het ene zwembad blijkt leeg, het andere niet voor hem toegankelijk, hij moet (nog steeds in zwembroek) een snelweg oversteken. En er blijkt iets mis met zijn geheugen. De mensen om hem heen hebben het over dingen waar hij geen weet van heeft: hij zou zijn huis hebben verkocht en er zou iets aan de hand zijn met zijn arme kinderen. Het kan niet waar zijn. Toch?

Als hij uiteindelijk uitgeput uit het laatste zwembad klimt en zijn huis wil betreden, blijkt dit afgesloten.

'Hij riep, hij bonsde op de deur, hij probeerde hem te forceren met zijn schouder, en toen hij ten slotte door de ramen naar binnen keek zag hij dat het huis leeg was.'

Binnen veertien pagina's is een zwoele zomerdag veranderd in een nachtmerrie, die zowel het personage als ons met vragen achterlaat. Hoe is dit mogelijk? Wat is er precies gebeurd? Hoe kan Neddy Merrill 's middags met zijn vrouw samen zijn terwijl die avond blijkt dat hij een tijd geleden door haar verlaten is? Of heeft hij háár verlaten? Er is in dit verhaal niemand die ons iets bekennen wil, hooguit iemand die iets wil verdringen. En de verteller geeft een feitelijk verslag, maar laat ons uiteindelijk in onwetendheid achter.


van roman naar verhaal

Saillant gegeven is dat Cheever voor het schrijven van dit verhaal aanvankelijk een roman voor ogen had. Hij had er honderdvijftig pagina's materiaal voor verzameld. Waarom hij uiteindelijk bij een kort verhaal uitkwam, vertelt de overlevering niet. Maar het resultaat is verbluffend. Wie het als een vuist samengebalde De Zwemmer heeft gelezen, wil maar één ding: herlezen, in de hoop te ontdekken wat die vuist verborgen houdt. Maar ook bij volgende pogingen laat de vuist zich niet openen. En zo hoort het ook: korte verhalen zijn er om ons te verontrusten, niet om ons gerust te stellen - of het nu gaat om roddels, om bekentenissen of om een even feitelijk als apocalyptisch relaas.


(c) ShortStory.nu/Ton Rozeman, april 2009

 

John Cheever, Verhalen. Vertaling Else Hoog. Uitgeverij Atlas, 2008.


Aanvulling mei 2009: Vorige maand verscheen er een biografie van John Cheever.


ShortStory.nu, omdat korte verhalen geweldig zijn