Annelies Verbeke - Groener gras (herdruk 2009)

Een pleidooi voor verhalenbundels in het algemeen en Groener gras in het bijzonder

(door Annelies Verbeke)


Toen ik mijn kennissen met trots inlichtte over het verschijnen van mijn verhalenbundel Groener gras, antwoordden sommigen met de vraag: ‘Leuk, maar wanneer verschijnt je derde roman?’ Hoewel ik gelukkig ook een aanzienlijk aantal liefhebbers van het genre heb ontmoet, schijnt de opvatting te leven dat de verhalenbundel het onvolmaakte broertje van de roman is, dat korte verhalen in het beste geval slechts smakelijke tussendoortjes zijn. Boekhandels en uitgeverijen lopen er meestal dan ook niet warm voor. Verhalenbundels verkopen slecht. Het zou mij niet bedroeven een van de uitzonderingen op deze regel te worden, maar liever nog zag ik de regel in zijn geheel verdwijnen. Nu en dan vang ik omtrent dat laatste hoopvolle geruchten op.


Is het mogelijk dat deze negatieve perceptie ertoe bijdraagt dat velen zichzelf de kans ontnemen volop vertrouwd te raken met het genre? Van de moderne mens, naar eigen zeggen ingesloten tussen een gebrek aan tijd en een teveel aan druk, zou je immers verwachten dat hij zich met volle overtuiging aan het korte verhaal vastklampt. In soms minder dan een half uur tijd kan hij zich laven aan een complete proza-ervaring: een verhaal met een midden, begin en einde dat via een personage een thema uitdiept, en dat, genoodzaakt zich te ontdoen van alle overtolligheid, de neiging heeft zich met uiterste precisie, en vaak met een verrassende ‘twist’, naar het hart van de lezer te boren.

   

Bij vele grote schrijvers, overleden en springlevend, kreeg het korte verhaal een volwaardige plaats binnen hun oeuvre. Dat was al zo bij Tsjechov, maar werd overduidelijk bij een resem Amerikaanse reuzen uit de twintigste eeuw. Dat de waardering voor het korte verhaal ook bij de jonge schrijvende generatie uit de V.S. voortleeft, wordt bijvoorbeeld herhaaldelijk bewezen door een tijdschrift als MacSweeny’s.

Mijn eerste ware literaire liefde betrof een Amerikaanse schrijver van bijna uitsluitend korte verhalen: Raymond Carver. Hij leerde mij hoe weinig woorden nodig zijn om veel te zeggen. Hoe zichtbaar, rauw of adembenemend de essentie dan kan worden.


Enkele jaren geleden leerde ik het werk van de Canadese Alice Munro kennen, die in vertaling bij De Geus wordt uitgegeven. Munro’s kunde is verpletterend, al gaat ze grotendeels op een andere manier dan Carver te werk. De meesterlijke wijze waarop zij haar verhalen van lagen en dubbele bodems voorziet, de chronologische sprongen die ze maakt en de veelheid aan perspectieven die in één verhaal vervat kan zitten, nopen veel critici tot de goedkeurende bemerking dat het bij Munro keer op keer om ‘een kleine roman’ gaat. Je zou het volgens mij ook gewoon over steengoede verhalen kunnen hebben, waarin de auteur niet terugdeinst voor schrijftechnische aspecten die we meestal met romans associëren, maar blijkbaar niet louter met romans verbonden hoeven te zijn.


Bij het uitdrukken van mijn bewondering voor Carver en Munro, heb ik mijn ideaalbeeld van een verhalenbundel al enigszins prijsgegeven. Een ander kenmerk dat volgens mij bijdraagt tot de kwaliteit is ‘het overkoepelende thema’, dat eenheid schept tussen de verschillende verhalen en dat tevens toelaat één onderwerp van zoveel mogelijk zijden te belichten. Prachtige, hedendaagse voorbeelden daarvan zijn de behandeling van het thema ‘bejaarden’ in Julian Barnes’ The Lemon Table en van ‘het gezin’ in Damon Galguts Small Circle of Beings.


Hoewel iets minder dan de helft van de verhalen uit Groener gras eerder in bloemlezingen en tijdschriften verscheen, zijn zij allemaal geschreven met een enkel thema in het achterhoofd: winnen en verliezen. Ik wilde portretten maken in het strijdperk, waarin ‘winnaars en verliezers voortdurend van plaats verwisselen’, zoals Steven uit het verhaal ‘Huppelen in groep’ beseft. Voor sommige van deze portretten maakte ik voorstudies in nog kortere verhalen – elk anderhalve bladzijde – die ik een jaar lang op het Radio 1 boekenprogramma Gulliver voorlas onder de titel Mensjes


De observaties in Groener gras leidden mij voornamelijk tot de gedachten dat de blijvende, totale overwinning onmogelijk is – wat maakt dat in feite niemand wint – maar dat wij nauwelijks buiten het verlangen naar meer en beter (dan de ander) kunnen. Daarenboven vergroot het gevoel van verlies de behoefte aan een overwinning op hardnekkige wijze. Wat maakt dat men vooral met zichzelf de strijd aangaat, zichzelf wil overwinnen. En dat terwijl het vermoeden zich opdringt dat het geluk zich buiten de strijd bevindt. 


De personages uit Groener gras die aan de strijd weten te ontsnappen, zijn de duidelijkste outsiders uit de bundel. Men zou kunnen argumenteren dat zij in het absurde vluchten – de liefde voor een os, een carrière op de maan, een keizerrijk in de woonkamer - maar zelf heb ik het liever over een geloof dan over een vlucht. Ook mijn eigen schrijverschap neig ik op die manier te verantwoorden. Het enige citaat dat ik in Groener gras gebruik, is er één van outsiderkunstenaar Gerard van Lankveld: ‘Als mensen schelden, dan kan je ze wel half verrot slaan. Maar je kunt ook efkes een paar jaar iets in elkaar knutselen.’ Zo is dat. 


Wat niet wil zeggen dat Groener gras bol staat van hoop. Het eerste en het laatste verhaal zijn voornamelijk deprimerend. De dappere jonge vluchtelinge uit het beginverhaal, die je de bundel doorloodst, krijgt niet wat ze verdient. De vernieling wint. De vernieler niet. Dat alles heeft met de realiteit te maken, die soms ook voornamelijk deprimerend is. En met mijn levensvisie, vermoed ik: de kadrering is tragisch, daartussen wordt gelachen, gevonden en geloofd.


Wie van mijn romans Slaap! en/of Reus gehouden heeft, mag zich met Groener gras aan een gelijkaardige stijl en humor verwachten. Mogelijk zijn mijn zinnen over het algemeen iets langer en vloeiender geworden. Mijn liefde voor outsiders is gebleven, alsook mijn interesse voor waanzin en absurditeit. Dromen en visioenen vermengen nog wel eens met de werkelijkheid, maar de onderlinge onontwarbaarheid is in Groener gras mijns inziens minder groot dan in de romans. Dat laatste is mogelijk een gevolg van de derde persoon enkelvoud, die in bijna alle verhalen gebruikt wordt, en die ik als een persoonlijke bevrijding beschouw.


Mijn schrijfplezier is nog nooit zo groot geweest als toen ik de verhalen van Groener gras schreef. De Japanse successchrijver Haruki Murakami legt in de inleiding van zijn laatste verhalenbundel en prijsbeest Blind Willow, Sleeping Woman uit waarom het heerlijk is om romans met korte verhalen af te wisselen. Het duurt minder lang korte verhalen klaar te krijgen, en zo’n beperkte tijdsspanne verhoogt de concentratie. De kleinste details kunnen aanleiding vormen tot een kort verhaal, en dat maakt de inhoud ervan vaak zeer intiem en scherp. Zowel schrijvers als lezers kunnen korte verhalen volgens mij zo ervaren. Murakami vat het voor me samen: ‘I find writing novels a challenge, writing short stories a joy.’ Ik hoop dat het plezier bij het lezen van Groener gras op u zal overgaan.  


Annelies Verbeke

   

    

            

  




      

  




 


  

        

ShortStory.nu, omdat korte verhalen geweldig zijn