John Updike - Het volle glas

Lees hier het verhaal (Engels)

Het verhaal Het volle glas werd voor het eerst gepubliceerd in het prestigieuze The New Yorker, onder de titel The Full Glass

Bespreking van het verhaal Het volle glas

Deze bespreking is van de hand van Roland De Blende

Bespreking


Het volle glas, in de ik-vorm en de tegenwoordige tijd geschreven, is het slotverhaal van De tranen van mijn vader en geeft de reflecties weer van een gepensioneerde onderhoudsman van houten vloeren, die zich op het ogenblik van de vertelling naar alle waarschijnlijkheid voor het raam van zijn badkamer bevindt, dat uitkijkt op zee (tenminste, daar bevindt hij zich op het einde van het verhaal). Andere belangrijke personages zijn : zijn echtgenote die hij steevast ‘de vrouw’ noemt en zijn voormalige minnares. Het verhaal behandelt de thema’s die ook verder in de bundel aan bod komen : ouderdom, herinneringen, verloren liefdes en – in mindere mate – religie (behalve een verwijzing naar ‘mijn Maker’, het ‘kwaad’ (zijn verhouding) en de kerstverlichting komt dit thema niet echt aan bod). Het volle glas is het laatste gepubliceerde verhaal van Updike. 


Gebeurtenissen

Het verhaal telt 18 pagina’s en 6 door een witregel van elkaar gescheiden tekstblokken.

Lees hier de samenvatting van de gebeurtenissen.

Je kunt het verhaal ook live lezen in The New Yorker.


Opbouw 

Het verhaal is opgebouwd rond drie gewoontes die de hoofdpersoon recentelijk heeft aangeleerd en die hem als curieus treffen : 

1. hij wil dat het waterglas om zijn pillen in te nemen al vol is als hij zijn tanden heeft gepoetst

2. hij wil de kerstverlichting vanuit huis werkelijk zien uitgaan in plaats van de schakelaar om te zetten zonder te kijken

3. als hij ’s avonds in bed ligt te wachten tot ‘de vrouw’ erbij komt, begraaft hij zijn gezicht in de zijkant van het kussen en rekt zich uit tot op zijn tenen waarbij hij drie keer hardop Ooh! Ooh! Ooh-uh! kreunt.


Hij probeert zijn eigenaardige gedrag te motiveren (‘De rationele verklaring zou kunnen zijn dat ik er, met de pillen in mijn ene hand, geen zin in heb met de andere hand met de kraan te klungelen en tegelijkertijd het glas vast te houden. Toch is het meer dan een kwestie van gemak. (…) dat heilzame zoete water aan het eind is belangrijk voor me geworden, een stukje dat past’. Of : ‘In het begin was dat misschien wel een hoorbaar signaal aan de vrouw om (…) bij me in bed te komen, maar inmiddels is het een ritueel geworden dat ik opvoer voor een onstoffelijk, onzichtbaar publiek’), deze curieuze gewoontes te plaatsen (‘Die verrukking gaat terug, veronderstel ik, op momenten dat ik mijn dorst leste als kind’ of ‘Mijn hoop de stroom door de verlengsnoeren te zien kronkelen gaat mogelijk terug op mijn fascinatie, als jongen, voor gebaande paden.’) onder andere door gebruik te maken van herinneringen en momenten die hem een goed gevoel, een volleglasgevoel, gaven. Op die manier schetst de auteur een duidelijk beeld van de hoofdpersoon, zijn verleden en de relevante gebeurtenissen vóór het verhaalbegin (de zogenaamde backstory). 


Locatie

De locatie is op een bepaalde manier dwingend aanwezig in dit verhaal : je kunt er niet omheen kijken. Zoals de verteller zelf aangeeft, ‘Vanuit geografisch oogpunt is mijn leven een langzaam omhoog kruipen langs de oostkust geweest.’ De hoofdpersoon woont sinds 30 jaar met zijn vrouw in Cape Ann, Massachusetts. Als ‘jongetje van een jaar of negen, tien’ woonde hij ‘een paar staten zuidelijker’ ‘bij mijn grootouders, een kind dat bij oude mensen inwoonde vanwege de crisis’. Hiermee wordt Pennsylvania bedoeld, waar Updike zelf vandaan komt en dat in verschillende verhalen in de bundel en het werk van Updike in het algemeen een vooraanstaande rol speelt. Echt in detail treden over het landschap van Pennsylvania zoals in De weg naar Huis of de geschiedenis van een stuk grond in Massachusetts zoals in Persoonlijke archeologie doet Updike hier echter niet. Van het leven bij en de streek van zijn grootouders geeft de verteller ons enkel een impressie (bezoek aan een achterneef op het platteland, boerenbal, ‘een doorgaande weg met een trambaan in het midden (…) naar de plaatselijke metropool van tachtigduizend werkende mannen en vrouwen, vijf bioscopen en een overschot aan fabrieken die snel door de tijd werden ingehaald’). Van Connecticut, waar de hoofdpersoon ten tijde van zijn verhouding woont en van Passaic, New Jersey, waar hij stiekem een vrije dag met zijn minnares doorbrengt, krijgen we geen beschrijving. Van het kuststadje Cape Ann vangen we hoogstens een glimp op ‘vanaf Marblehead, twaalf kilometer verderop’ (‘konden we onze versierde vlaggenmast niet onderscheiden te midden van al die andere kustlichtjes’).


Motieven en symbolen

Een terugkerend element met associatieve, symbolische waarde is het water. Het verhaal staat bol van verwijzingen naar de een of andere vorm van water : het volle glas water uit de titel, drinkfonteinen, glazen ijswater, een murmelend beekje aan de rand van de stad, de bron van de hoofdpersoons achterneef, het water dat door leidingen loopt, rivieren die richting zee razen en sijpelen, de zee waarop de hoofdpersoons huis in Cape Ann uitkijkt. Het water als symbool van gezondheid ? Niet echt. Want de acht glazen die de arts de hoofdpersoons vrouw heeft aangeraden ‘als vrouwelijk schoonheidstrucje’ verwerpt hij : ‘Ik moet kokhalzen bij de gedachte alleen al – acht glazen is ruim twee liter. Het zou me de neus uitkomen’. 

Het water als bron van vitaliteit en levenslust, als symbool van levenskracht en verlangen naar het leven ? Dat komt dichter in de buurt. Een aantal tekstfragmenten bevestigen dit : 

•‘dat heilzame zoete water aan het eind van de dag is belangrijk voor me geworden, een stukje dat past : (…) het is verrukkelijk.’ 

•‘Dat ijskoude water bevatte een ingrediënt’ dat de hoofdpersoon als kind al ‘met een hevig verlangen vervulde naar het volgende moment van leven, het ene bruisende moment na het andere.’ 

•‘met water dat des te zoeter is omdat het al even op de marmeren wastafel heeft staan wachten (…) brengt hij een toost uit op de zichtbare wereld.’


Het water vormt voor de hoofdpersoon – zo lijkt het althans – ook de link met de wereld en meer bepaald met de wereld uit zijn jeugd ‘waar in alle overheidsgebouwen en warenhuizen publieke drinkfonteinen waren, en in lunchrooms glazen ijswater voor je werden neergezet zonder dat je erom hoefde te vragen’ : ‘Een glas vullen onder die oude kraan verbond je met de wijdere wereld.’ 


Titel 

De titel doe je willens nillens denken aan de uitdrukking Is het glas halfvol of halfleeg ? De titel geeft al meteen een duidelijk antwoord op die vraag : voor de hoofdpersoon is het glas niet halfvol maar vol. Naast een weergave van de momenten waarop de hoofdpersoon zich ‘zo vol geluk’ voelde, de ‘momenten waarop ik dat volleglasgevoel had’ bevestigen alle tekstverwijzingen naar water die positieve levensvisie : ‘Dat ijskoude water’ uit de drinkfontein van een garage een straat voorbij het huis van zijn grootouders, ‘bevatte een ingrediënt dat mij, een jongetje van een jaar of negen, tien, met een hevig verlangen vervulde naar het volgende moment van leven, het ene bruisende moment na het andere.’ Een soortgelijk verlangen vervult hem als bijna 80-jarige nog altijd, wat er hem in de slotscène toe brengt te toosten op de zichtbare wereld, op het leven zeg maar. Het is overigens geen toeval dat de hoofdpersoon dit doet met een vol glas water én met uitzicht op de zee die altijd vol is. 


Verandering of transformatie 

De hoofdpersoon evolueert niet binnen het verhaal zelf, maar de verteller geeft aan hoe hij in de loop van zijn leven is veranderd aan de hand van zijn houding tegenover de dood. We zien een hoofdpersoon die als kind naar zijn opa keek en zich afvroeg ‘hoe hij het voor elkaar kreeg om niet zijn verstand te verliezen, zo dicht bij de dood’ en als dertiger – voor wie ‘de dood (…) in principe ondenkbaar was’ – op zijn minnares liggend nadat hij haar ‘vol met mezelf had gepompt’ beseft ‘dat het oord waar het leven zo volmaakt was (…) zijn poorten voor me had geopend, en ervoer ik een rust die me nooit helemaal verlaten heeft, waarvan zelfs nu nog flarden zijn blijven hangen’ is geëvolueerd naar een man die zijn innerlijke rust gevonden schijnt te hebben, want ‘Als ik de gedachten van die rare ouwe man goed lees, (…) kan het feit dat hij (…) misschien weldra van’ de wereld ‘verdwenen zal zijn hem niks verdommen.’ 


Thema 

Een thema dat in dit verhaal nadrukkelijk aan bod komt naast de herinneringen (aan de hoofdpersoons kindertijd) en de verloren liefde (van de ‘vrouw die niet mijn echtgenote was’ en van het meisje ‘in mijn klas met wie ik bijna nooit een woord wisselde’ en op wie de hoofdpersoon ‘vanaf de kleuterschool, en alle schooljaren daarna’ verliefd was) is de ouderdom en de kwestie van de dood – of hoe je hiermee op je oude dag omgaat. Zoals in de rubriek Verandering al werd aangestipt, had de hoofdpersoon als kind angst voor de dood.  Nu is hij echter zelf zo oud als zijn opa vroeger en denkt bijvoorbeeld ‘dat ik, onbewust, bang ben dat als ik niet kijk, de stroom zal blokkeren en omkeren en dat ik dan degene zal zijn wiens lichtje dooft, en niet de lampjes buiten.’ Toch komt de hoofdpersoon op basis van de volle momenten uit zijn leven ‘waarin de opzichtiger geneugtes zijn uitgevlakt’ tot de slotsom : ‘de Natuur blijkt elke dag wat verdovingsmiddel in je aderen te druppelen, een middel waardoor je gaat denken dat elke nieuwe dag zo goed als een jaar is, en nog een jaar een heel leven.’ Dit inzicht doet hem toosten op ‘de zichtbare wereld en kan het feit dat hij er misschien weldra van verdwenen zal zijn hem niks verdommen.’ 


Een hoofdpersoon van vlees en bloed 

De hoofdpersoon is ook de verteller. Daardoor bekijken we het verhaal volledig door de ogen van de vertellende hoofdpersoon die zichzelf beschrijft als ‘een man die ik wel ken maar niet heel goed. Normaal gesproken moet ik niks van introspectie hebben.’ Zijn werk heeft hem ‘geconditioneerd tegen al te diep graven’ en deed hem ‘de waarde inzien van het oppervlakkige’. In een verhaal over een man die de balans opmaakt kan dit tellen. Diepzinnige filosofieën of bespiegelingen van een man aan het einde van zijn leven vind je bij dit personage inderdaad niet – en precies deze aanpak van de auteur houdt het verhaal onderhoudend en licht verteerbaar en maakt het tegelijk zo mooi en ontroerend. 


We zien een man die zijn zegeningen telt in de vorm van curieuze gewoontes en momenten waarop hij een volleglasgevoel had, maar niet geneigd is ‘tot introspectie, tot al te diep graven. Schraap het buitenste laagje eraf en de lelijkheid springt in het oog.’ En die lelijkheid onthoudt de verteller ons niet. ‘Ik was geen heer,’ zegt hij van zichzelf nadat zijn verhouding aan het licht is gekomen. En toen zijn minnares aan kanker stierf, ‘was ik daar in zekere zin blij om. Door haar dood verdween een verwarrende aanwezigheid van de aardbol.’ Door enerzijds de lelijkheid en de tekortkomingen van de hoofdpersoon tegenover diens volleglasmomenten, curieuze gewoontes en innerlijke rust te plaatsen en anderzijds de hoofdpersoon te plaatsen in relatie tot de andere personages (zijn oma en zijn opa, zijn achterneef, het meisje waarop hij vanaf de kleuterschool verliefd was, zijn voormalige vriendin en zijn vrouw), geeft Updike een genuanceerd en daardoor uiterst geloofwaardig en realistisch beeld van de hoofdpersoon.


Deze bespreking is geschreven door Roland De Blende.



ShortStory.nu, omdat korte verhalen geweldig zijn