Anne Enright - Het weer van gisteren (titelverhaal)

Bespreking van Het weer van gisteren, titelverhaal van de bundel van Anne Enright (gekozen tot verhalenbundel van de maand juli/augustus 2009)

Deze bespreking is in zijn geheel van de hand van ShortStory.nu/Roland De Blende

Het weer van gisteren – Mijn mening

Een vlot leesbaar verhaal vol symboliek over een vrouw die in de knoop zit met zichzelf en in conflict ligt met haar omgeving door de fysieke en emotionele gevolgen van de geboorte van haar baby. Wat had kunnen verzanden in een melige vertelling, is daarentegen een evenwichtig uitgebalanceerd verhaal geworden over een jonge moeder onderhevig aan de baby blues. Het mooie zit hem in het onuitgesprokene, het onderhuidse, het ‘onbenoembare’ zoals de verteller het zelf uitdrukt, wat de schrijfster op de haar geheel eigen wijze juist wél onder woorden weet te brengen. Precies dat onnoembare maakt dat het verhaal zich maar moeizaam prijsgeeft, wat het lezen ervan tot een boeiende ervaring en een waar genot maakt. Kortom, Anne Enright op haar best. (ShortStory.nu/Roland De Blende)



Het weer van gisteren – De feiten

12 pagina’s, zij-vorm, verleden tijd, vrouwelijke hoofdpersoon van wie de leeftijd niet wordt vermeld (ze is een jonge moeder), vertelde tijd : niet expliciet vermeld (beslaat een familiebezoek, vermoedelijk tijdens een paasweekend), locatie : keuken, tuin en woonkamer van de hoofdpersoons schoonouders, hotelkamer en auto; voornaamste personages : de hoofdpersoon Hazel, haar man John, haar schoonzus Margaret, haar naamloze baby en in mindere mate Johns vader. 



Het weer van gisteren – Samenvatting

Het verhaal is verdeeld in zeven tekstblokken die door een witregel van elkaar gescheiden zijn. Lees hier een uitgebreide samenvatting van Het weer van gisteren.



Het weer van gisteren – Spanning


Opbouw 

Anne Enright bouwt de spanning in dit verhaal op met een klassiek, uiterlijk conflict : Hazel maakt tot driemaal toe ruzie met haar man John. Terwijl de eerste twee confrontaties zich nog beperken tot woordenwisselingen, wordt er in de derde confrontatie (‘De ruzie ontstond uit het niets.’) geroepen en getierd, met een borstel gegooid en met vuisten gebeukt. Wat misschien melodramatisch lijkt, is het niet. Na de climactische ruzie in het hotel komt Hazel na een bad en tijdens het voeden en verschonen van haar baby tot rust, waarna de logische verzoening tussen beide partners lijkt te zullen volgen. Deze verzoening maken we niet echt mee maar we vangen er wel een glimp van op als Hazel glimlacht ‘naar de deur die openging’ en in de autorit naar huis. Het verhaal eindigt rustig in een deels open, maar vooral realistisch einde : Hazel neemt de schade op die de storm in haar tuintje heeft aangericht.


Onderhuidse spanningen verhogen de suspense. Wat deze spanningen precies inhouden, wordt niet expliciet uit de doeken gedaan : ‘Sinds ze in Clonmel waren leek er een reden te zijn om geen enkele gedachte die in haar opkwam uit te spreken.’ en ‘dit was het huis van Johns ouders, en als je het over de vloerbedekking had, had je het over zijn overleden moeder en god mag weten wat nog meer.’ Ook de ruzies tussen John en Hazel wijzen erop dat er meer aan de hand is. Precies deze vaagheid verhoogt de spanning.


Daarnaast beschrijft Enright ook een innerlijk conflict waarmee de hoofdpersoon worstelt. Hazel zit namelijk in de knoop met zichzelf door zowel de fysieke als de emotionele gevolgen van de geboorte van haar baby. Fysiek : ‘Niettemin had Hazel moeite met ademen : ze had het gevoel alsof de baby nog in haar zat, tegen haar longen duwde, beklemmend. Maar de baby zat niet meer in haar. De baby lag in haar armen.’ en ‘Hazel was zo boos dat ze bang was dat er iets in haar zou knappen of verzakken, want sinds de geboorte van de baby kon ze niet meer zo van haar lichaam op aan als vroeger.’ Emotioneel : ‘Het was vreselijk deprimerend om onder het snot te zitten. Zulke dingen had ze niet voorzien.’ Meer over de emotionele ontreddering van de hoofdpersoon lees je in Personages van vlees en bloed. 


Locaties 

De locaties hebben iets beklemmends. De opeenvolging van besloten ruimtes (de keuken, de tuin, de woonkamer en weer de tuin van het huis van Johns ouders, een hotelkamer en een auto) weerspiegelt het leven van Hazel sinds de geboorte van haar baby ‘alsof haar wereld uit niets anders bestond dan uit de baby’. De beklemming wordt nog verhoogd doordat deze locaties zich niet in de vertrouwde omgeving van de hoofdpersoon bevinden, wat Hazel ‘opeens pijnlijk naar haar tuintje in Lucan’ doet verlangen.


Motief

Zoals de baby onontkoombaar aanwezig is in het leven van Hazel ‘alsof haar wereld uit niets anders bestond dan uit de baby’, zo is de baby ook alomtegenwoordig in het verhaal. Hij springt als het ware van elke bladzijde. Doordat hij voor de hoofdpersoon zowel onruststoker als rustbrenger is, vormt hij het verbindingselement tussen de verschillende scènes. Op die manier draagt hij aanzienlijk bij tot de inhoudelijke samenhang. 


Opvallend is dat de baby nergens bij naam wordt genoemd. We komen zelfs niet te weten of het een jongetje of een meisje is. Hij wordt enkel ‘de baby’ genoemd, met bepaald lidwoord en zonder het bezittelijke voornaamwoord haar. Hoogstens wordt er eens naar verwezen als ‘de reden waarvoor ze een huis nodig hadden’ of ‘een kirrende onbekende’. Deze woordkeuze geeft inhoudelijk aan dat Hazel er nog mee in het reine moet komen dat ze voortaan moeder is. Stilistisch krijgt het verhaal er een schrikwekkende kilheid en afstandelijkheid door.


Een ander motief is de wang. Op haar hotelkamer komt Hazel tot het besef dat ze van haar baby houdt op het ogenblik dat ze de ‘wang van de baby een millimeter van haar eigen wang’ houdt. Het is dan ook geen toeval dat de verzoening tussen Hazel en John in de autorit huiswaarts wordt aangegeven doordat John zijn hand tegen de wang van Hazel en niet tegen een ander lichaamsdeel brengt en dat zij zijn hand daar houdt. 


Symbolen

Symbolen (voorwerpen of aanduidingen die een extra betekenis hebben los van hun eerste betekenis) dragen bij tot de samenhang van een verhaal. Het weer heeft in dit verhaal zo’n symbolische waarde. Niet alleen de titel verwijst ernaar, ook in het verhaal wordt er geregeld aan gerefereerd. Op een eerste niveau, het verhaalniveau zeg maar, vervult het weer de functie van decor, van achtergrond waartegen de gebeurtenissen zich afspelen. Aanvankelijk wordt het indirect, bijna terloops vermeld : ‘je moest een baby dik insmeren met zonnebrandcrème’, ‘lekker buiten zitten en toekijken hoe (…) de anderen zich in de zon aan het bedrinken waren.’ en ‘Onder het donshaar scheidde het babyhuidje zulke fijne zweetdruppeltjes af (…)’. Wat verder in het verhaal wordt de weersaanduiding iets directer en specifieker maar ze is nog steeds vrij onopvallend zodat je er bijna overheen leest : ‘Ze (…) hief haar gezicht op naar het flauwe paaszonnetje.’ Naarmate het verhaal vordert, wordt het weer dreigender en treedt het op de voorgrond. De storm zelf krijgen we niet te lezen (tenzij overdrachtelijk in de vorm van ruzie tussen Hazel en John), de gevolgen van de storm wel : ‘Toen ze het garagepad op reden zag Hazel dat haar tulpen waren omgewaaid, althans de bloemen die al open waren gegaan.’ Het verhaal eindigt met een bedenking van Hazel over het weer. ‘Alle verwachtingen gingen over morgen : warmtefronten, koudeputten, regenbuien. Nooit nam iemand de tijd voor een beschrijving van het weer van gisteren.’ 


Op een tweede, dieper niveau krijgt het weer een extra betekenis. Die betekenis moet je als lezer zelf invullen. Zo kan het weer symbool staan voor de liefde. Het weer in het verhaal evolueert van zonnig naar stormachtig parallel met de liefde tussen Hazel en John voor en na de geboorte van hun baby. Het resultaat van de storm en de ruzies is hetzelfde : ravage en beschadiging. 


Ook de tulpen hebben symbolische waarde. Zoals het zaadje in Hazels buik werd geplant, zet zij ‘de bollen in de grond (…) zeven maanden zwanger, (…) dikke rode tulpen, het soort dat ook wel in parken staat (…)’. De tulpen symboliseren het broze leven, de weerloze baby. Aan het slot van het verhaal ‘zag Hazel dat haar tulpen waren omgewaaid, althans de bloemen die al open waren gegaan’ net zoals haar pasgeboren baby wordt getroffen door de ruzies van zijn ouders. Is de baby beschadigd door die ruzies ? ‘Kon hij gekwetst worden door boosheid, ook al had hij nog nooit eerder boze woorden gehoord ?’ Zoals jonge, broze tulpen verwoest kunnen worden door een storm, ook al hebben ze nog nooit slecht weer meegemaakt ? 


De combinatie van de twee bovengenoemde symbolen verklaart de titel van het verhaal : de liefde die de baby heeft gemaakt. Stilstaan bij deze liefde en de gezinstoestand van voorheen heeft weinig zin. Wat geweest is, is geweest, alleen vooruitkijken telt. Hazel komt tot dezelfde vaststelling : ‘Alle verwachtingen gingen over morgen (…). Nooit nam iemand de tijd voor een beschrijving van het weer van gisteren.’ 

Hazel slaat haar baby gade en vraagt zich letterlijk af ‘in hoeverre hij was beschadigd door dit alles, door de totale ineenstorting van de liefde die hem had gemaakt.’ Net zoals ze zich bij het zien van haar beschadigde tulpen afvraagt ‘of de storm hier ook had gewoed en welke windkracht het eigenlijk was geweest – had het uitzonderlijk hard gewaaid ?’. Het antwoord komen we net zo min als Hazel te weten, want ‘ze kon nergens vinden wat ze zo graag wilde weten.’ Hoewel de verteller ons wel een aanwijzing geeft : op de terugweg slaapt de baby rustig op de achterbank terwijl zijn ouders afgepeigerd maar liefdevol elkaar vinden. We kunnen vermoeden dat hun liefde zal standhouden en dat de baby ongedeerd uit de ruzies komt. 


Epifanie

Een goed verhaal wordt gekenmerkt doordat de hoofdpersoon – doorgaans op het einde – een moment van verandering beleeft, een inzicht krijgt dat zijn visie omgooit (epifanie). Ook in Het weer van gisteren vinden we zo’n epifanie. Maar hoe laat je een emotioneel labiel personage op een geloofwaardige manier veranderen ? Door de (kans op) verandering ingehouden en subtiel te tonen. En dat is wat Enright doet. Hazel neemt de baby tegen haar schouder om hem te laten boeren. ‘Intussen schonk zijn blote huid tegen de hare Hazel een vaag genot.’ Even later strijkt ze ‘met haar wang over zijn donzige haar (…)’. Ze heeft evenwel niet de moed om de baby een bad te geven maar zal hem met een natte hotelhanddoek verschonen. ‘God, door al het gedoe met een baby werd je wel erg makkelijk, dacht ze, en ze wendde zich met een glimlach naar de deur die openging.’ Ze is veranderd : ze houdt wel degelijk van haar baby en de verzoening met John is op til. 


Verschillende verhaallagen

Je zou verkeerdelijk het idee kunnen krijgen dat het verhaal gekunsteld is en aaneenhangt van motieven en symbolen. Dat is zonder de kracht van de schrijfster gerekend. Enright creëert haar verhaal zo dat een lezing die zich beperkt tot het verhaalniveau al een genot op zich is en de lezer voldoende stof tot nadenken geeft. Wie dieper wil graven, wordt daarvoor ruimschoots beloond. Zo kan het ook allerminst toeval zijn dat de hoofdpersoon in een verhaal dat zich voor een groot deel afspeelt in een tuin en waarin weerselementen en planten symbolische waarde hebben, de naam Hazel (Engels voor hazelnoot, hazelaar) draagt. Sta je daar niet bij stil, dan boet het verhaal echter niet aan kracht in. 



Het weer van gisteren – Personages van vlees en bloed 


Ambivalentie

Hazel ligt in de knoop met zichzelf na de geboorte van haar baby. Ze wordt heen en weer geslingerd tussen uiteenlopende emoties, gaande van ‘Het was vreselijk deprimerend om onder het snot te zitten’, over ‘Hazel werd er licht panisch van’ tot ‘zielsverdrietig huilde’ en ‘een vaag genot’. Haar twijfel en gemengde gevoelens uiten zich concreet op drie vlakken. 

1. Ze twijfelt aan haar liefde voor John. Als ze in de lounge van het hotel een vader ziet spelen met zijn baby, wenst ze ‘heel even (…) dat ze met hém getrouwd was.’ Ze voelt misschien zelfs de nodige afkeer van John, ‘want mannen waren zo ruig, of… Hoe waren ze eigenlijk ? Ze probeerde zich te herinneren hoe prettig Johns buik aanvoelde (…) zijn verbijsterende zijdezachte pik (…), maar tegenwoordig was hij heel onbehouwen en groot, en altijd had hij zich te lang niet geschoren.’ 

2. Ze twijfelt aan haar liefde voor haar baby. ‘Ze was ervan overtuigd dat ze liefde voor de baby zou opvatten als hij zich heel even niet zou bewegen, maar de baby was voortdurend in beweging.’ ‘of probeerde hem recht aan te kijken… dan was dat onbenoembare er niet.’ Als jonge moeder weet ze niet eens hoe ze van hem moet houden. ‘Toch bleef ze zich vastklampen aan dat onbenoembare. Ze bleef hopen en volharden. Was dit het dan ? Was dit de manier om van een baby te houden ?’  

3. Ze vreest dat ze als moeder veroordeeld is tot een onzichtbaar bestaan waarin ze door iedereen zal worden genegeerd zoals haar schoonzus voortdurend wordt genegeerd door haar eigen kinderen, haar vader, door John… en zelfs door Hazel zelf. ‘Hazel reageerde er niet op.’ Deze respectloze behandeling boezemt haar angst in (‘Hazel werd er licht panisch van.’), temeer omdat ze er zich van bewust is dat ze deze ontwikkeling niet zal kunnen tegenhouden : ‘Ze hoorde dat zij zich ook al bezondigde aan hol huismoedergeklets.’ 


Gekleurde bril 

Het grootste deel van het verhaal bekijken we door de bril van Hazel. Dat deze gekleurd is wordt soms letterlijk aangegeven. ‘hoewel, de kinderen van Margaret aten helemaal niets, volgens haar waarneming. Ze aten helemaal niets. Toch waren ze allemaal te dik.’ Of als John zich volgens Hazel onbeschoft gedraagt tegen zijn zus : ‘Ze werd er licht panisch van. Hoewel hij tegen haar niet zo deed. Nog niet tenminste. En hij overstelpte de drie kleintjes van zijn zus met genegenheid, gooide ze in de lucht en ving ze op.’ Alleen doet John dit – nog altijd volgens Hazel – blijkbaar niet met zijn eigen baby. Maar is dit wel zo ? 


Hoewel we de gebeurtenissen grotendeels beleven door de ogen van Hazel, is een alwetende verteller aan het woord, die heel af en toe, bijna ongemerkt op de voorgrond treedt. De baby ‘sliep door de herrie van zijn ouders heen, die ieder aan een kant zaten van het bed waarop hij lag en tegen elkaar schreeuwden. De ruzie ontstond uit het niets.’ En : ‘Dat wist ze nog niet, dat de baby geschreeuw eigenlijk niet erg vond.’ 



Het weer van gisteren – Plaats in de bundel 

Het titelverhaal is net als de meeste verledentijdverhalen in de bundel in de 3de persoon geschreven en heeft net als zeventien andere verhalen een vrouw als hoofdpersoon. Het is net iets langer dan het gemiddelde verhaal en bevindt zich als twaalfde verhaal iets over halverwege. De hoofdpersoon bevindt zich qua levensfase ook net over halverwege : ze is geen tiener (Natalie, 4de verhaal) of studente (Kussen, 2de verhaal) meer, hoeft niet meer te trouwen (Foto’s maken, 8ste verhaal) maar is getrouwd (Bleke handen die ik beminde aan de Shalimar, openingsverhaal) en heeft haar zwangerschap (Schacht, 11de verhaal) achter de rug; ze heeft evenwel nog geen jonge kinderen (Caravan, 15de verhaal), is nog geen jaren getrouwd (De dood van het meisjes, 16de verhaal) en is evenmin bejaard (Della, slotverhaal). 


Een andere overeenkomst met de overige verhalen in de bundel is het gebruik van symbolen. Zo staat de beddenafdeling in het verhaal Op de beddenafdeling symbool voor de overgang in het leven van de hoofdpersoon en in Honing symboliseren rode rozen leven, witte rozen sterven. Ook thematisch leunt Het weer van gisteren aan bij de andere verhalen : liefde en verlies (van bijvoorbeeld Hazels leven als kinderloze vrouw) komen ook hier aan bod en de hoofdpersoon heeft niet alleen een problematische relatie met haar schoonfamilie, maar ook met haar man, haar baby en zichzelf. Hoewel er nog moeders hoofdpersoon zijn, is dit het enige verhaal waarin een vrouw moeder is van een pasgeboren baby.


Lees meer over de complete bundel Het weer van gisteren van Anne Enright


(c) ShortStory.nu/Roland De Blende



ShortStory.nu, omdat korte verhalen geweldig zijn